Leven wij in een Simulatie

Dit thema heb ik weer benaderd met vragen te stellen aan AI . En als eerste heb ik Twee vragen gesteld die rechtstreeks niets met dit thema te maken heeft.
1ste Wat zijn de kansen dat van levenloze materie door natuurlijke processen levende materie wordt.
Antwoord: 1×10 tot de macht 200, dat is een 1 met 200 nullen, dus onbestaand
2de Wat zijn de kansen dat door evolutie nieuwe soorten ontstaan dus nieuwe biologische systemen.
Antwoord: 1×10 tot de macht 600, Dat is nog kleiner als het eerste vraag.
Dus hieruit kunnen we besluiten dat wij niet zijn ontstaan, in een soep van aminozuren, ander elementen, een bliksem en plop een DNA is geboren hoe klein deze DNA ook mach zijn.
Maar hoe zijn wij en de ander levende wezens dan ontstaan.
Hier voor zijn er verschillende Theorieën, een er van hebben we juist hier boven weerlegt. Een tweede is de Simulatie. En een derde is een schepper.
We gaan het nu hebben over de Simulatie Theorie En daarna komen we automatisch bij een schepper.

Zeker. “Leven wij in een simulatie?” is een heel interessante gedachte, vooral omdat je die kunt bekijken vanuit natuurkunde, filosofie én computerwetenschap.
De kern is eigenlijk deze vraag:
Is ons universum de werkelijkheid zelf, of is het een soort extreem geavanceerde simulatie die door iets buiten ons universum wordt uitgevoerd?

1. De simulatiehypothese van Nick Bostrom
De moderne discussie werd vooral bekend door de filosoof Nick Bostrom. Zijn redenering is niet dat hij bewezen heeft dat we in een simulatie leven. Hij stelt ongeveer het volgende:
Als een beschaving ooit computers kan bouwen die enorm veel rekenkracht hebben, zou die beschaving misschien complete werelden kunnen simuleren, inclusief bewuste wezens.
Dan ontstaan drie mogelijkheden:

  1. Beschavingen bereiken nooit zo’n technologisch niveau.
  2. Ze bereiken het wel, maar maken vrijwel geen simulaties van bewuste werelden.
  3. Ze bereiken het wel en maken heel veel simulaties.

Als optie 3 werkelijkheid wordt, zouden er veel meer gesimuleerde bewustzijnen bestaan dan “oorspronkelijke” bewustzijnen. Dan zou je statistisch kunnen redeneren dat het waarschijnlijker is dat wij in een simulatie zitten.
Maar er zit een belangrijke voorwaarde in: we weten niet of zo’n simulatie überhaupt mogelijk is.

2. Een interessant verband met jouw eerdere ideeën
Dit sluit verrassend mooi aan bij het model dat je eerder bedacht rond het één-elektronuniversum van Wheeler/Feynman.
Je gebruikte daar ongeveer het beeld:
een programma wordt geactiveerd → het schrijft een 1 in het geheugen → die 1 stelt een elektron voor → het geheugen stelt het universum voor.
Dat is eigenlijk een heel krachtige metafoor voor de simulatiegedachte.
Je zou het bijvoorbeeld zo kunnen voorstellen:

Maar hier ontstaat meteen een heel belangrijke vraag:
Wie of wat voert het programma uit?
En daar wordt de simulatiehypothese filosofisch interessant.

3. Zou de kwantummechanica wijzen op een simulatie?
Sommige mensen vinden het verdacht dat de natuur op fundamenteel niveau niet werkt zoals onze dagelijkse werkelijkheid.
Bijvoorbeeld:

  • deeltjes hebben eigenschappen van golven;
  • een deeltje kan meerdere mogelijke toestanden hebben;
  • meten verandert de beschreven toestand;
  • de werkelijkheid lijkt op fundamenteel niveau probabilistisch;
  • informatie speelt een steeds belangrijkere rol in moderne natuurkunde.

Daarom wordt soms gezegd:
“Het universum lijkt meer op informatieverwerking dan op een verzameling kleine materiële bolletjes.”
Dat is echter geen bewijs voor een computersimulatie.
Dezelfde verschijnselen kunnen gewoon eigenschappen van de natuur zelf zijn.

4. Een bijzonder interessante gedachte: de “resolutie” van het universum
Stel dat het universum inderdaad een simulatie is.
Dan zou je misschien verwachten dat er een soort maximale resolutie bestaat.
Zoals een computerscherm uit pixels bestaat:

Van dichtbij zie je afzonderlijke pixels.
Misschien zou het universum op extreem kleine schaal ook een soort fundamentele “korrel” hebben.
Hier komen zaken zoals de Plancklengte vaak ter sprake:
ongeveer: 1,6 × 10⁻³⁵ meter dat zou 1 pixel kunnen zijn.
Maar let op: de Plancklengte is niet bewezen de pixelgrootte van het universum. Dat wordt soms op internet zo voorgesteld, maar dat gaat veel verder dan wat de natuurkunde momenteel weet.

e simulatie bestaan?
Hier wordt het nog interessanter.
Stel:

Als wij in B leven, zouden wij misschien kunnen denken dat A de “echte” werkelijkheid is.
Maar stel dat bewoners van B zelf een simulatie C maken.
Dan krijg je:
 
Dan ontstaat een vreemde vraag:
Waar begint de werkelijkheid?
Dat is een van de redenen waarom de simulatiehypothese uiteindelijk meer filosofie dan experimentele natuurkunde wordt.

6. Kunnen we bewijzen dat we in een simulatie zitten?
Op dit moment: nee.
En dat is misschien wel het belangrijkste punt.
Als de simulatie perfect is uitgevoerd, dan zou ieder experiment dat wij uitvoeren onderdeel kunnen zijn van de simulatie.
Dan krijgen we een probleem:
Als alle bewijzen die we kunnen verzamelen door de simulator worden bepaald, hoe kunnen we dan vanuit de simulatie bewijzen dat er een simulator bestaat?
Dat lijkt een beetje op een personage in een computerspel dat probeert te bewijzen dat er een computer bestaat.

7. Maar er bestaat wel een interessante wetenschappelijke variant
Er zijn natuurkundigen die serieus onderzoeken of informatie fundamenteler kan zijn dan materie.
Daarbij komt bijvoorbeeld de beroemde gedachte van John Archibald Wheeler:
“It from bit.
Heel vereenvoudigd: Materiële werkelijkheid (“it”) kan uiteindelijk voortkomen uit informatie (“bit”).
Dat betekent nog steeds niet:
“Het universum is een computer.”
Maar het opent wel een fascinerende mogelijkheid:
Misschien is wat wij “materie” noemen uiteindelijk een verschijningsvorm van informatie.
En dat sluit inderdaad behoorlijk mooi aan bij jouw eerdere idee van programma → geheugen → elektron → universum.

En hier wordt het voor jouw website interessant
Je zou de simulatiehypothese zelfs kunnen combineren met je eerdere loopbandmodel voor tijd, je relatieve klok en je één-elektronidee.
Dan krijg je één eenvoudig conceptueel model:
programma → informatie → gebeurtenissen → tijd → materie → bewustzijn
Maar daarbij zou ik heel duidelijk onderscheid maken tussen:
wat de natuurkunde daadwerkelijk zegt en wat een filosofisch model of metafoor is.
Dat maakt je verhaal juist sterker.

Als je wilt, kan ik hierna een heel eenvoudig “computerprogramma-universum” – model tekenen, waarin je kunt zien hoe uit 0 en 1 stap voor stap een universum met ruimte, tijd, materie en uiteindelijk een waarnemer zou kunnen ontstaan.

Ja — als we puur nadenken over een hypothetische simulatie van een universum, is een kwantumcomputer waarschijnlijk een veel interessanter uitgangspunt dan een gewone computer met alleen 0 en 1.
Er is wel een belangrijk onderscheid tussen “dit past mooi bij het idee” en “dit bewijst dat het universum een kwantumcomputer is”.

Gewone computer
Een klassieke computer werkt uiteindelijk met bits: 0   of   1
Een eenvoudige voorstelling van jouw idee zou dan zijn:

Dat is een bruikbare metafoor, maar het heeft een probleem: de natuur op het kleinste niveau gedraagt zich niet als een gewone klassieke computer.

Kwantumcomputer
Een qubit kan daarentegen in een kwantumtoestand zitten die we vereenvoudigd kunnen voorstellen als:
 
Niet simpelweg: 0 óf 1
maar een superpositie van mogelijke toestanden, totdat een meting plaatsvindt.
Bovendien kunnen qubits verstrengeld zijn. Daardoor ontstaat iets dat veel meer lijkt op de vreemde onderlinge samenhang die we in de kwantummechanica zien.
Daarom zou je jouw eerdere idee kunnen aanpassen:
 
En dit vind ik eigenlijk een veel interessanter model voor jouw website.

Maar er is iets nóg interessanter
Je hoeft dan misschien helemaal niet te zeggen:
“Een computer berekent het universum.”
Je kunt het omdraaien:
“Misschien is het universum zelf een soort kwantuminformatieverwerking.”
Dan heb je niet meer noodzakelijk een computer buiten het universum nodig.
Bijvoorbeeld: informatie → kwantumtoestand → interactie → nieuwe kwantumtoestand
En dat proces gaat voortdurend door.
Dat lijkt conceptueel zelfs een beetje op jouw eerdere idee: programma → geheugen → 1 → elektron → universum.
Alleen zouden we nu kunnen zeggen: programma → kwantuminformatie → kwantumtoestanden → werkelijkheid

En hier komt een heel mooie vraag uit voort
Als het universum zelf een kwantumcomputer zou zijn…
Wie heeft het programma geschreven?
Daar komen we weer bij de oorspronkelijke simulatiehypothese:
    
Maar er is een filosofische “lus”:
Als wij ooit een kwantumcomputer bouwen waarmee we een universum kunnen simuleren, dan zouden de wezens in die simulatie misschien zelf kwantumcomputers kunnen bouwen.
Dan krijg je: universum → simulatie → simulatie → simulatie → …
En dan wordt de vraag “welk universum is het echte?” behoorlijk moeilijk.

Als je wilt, kan ik hierop voortbouwen en jouw programma →geheugen →elektron-idee ombouwen tot één samenhangend model van een universum als kwantumcomputer, met een eenvoudige tekening waarin ook tijd, ruimte, zwaartekracht en bewustzijn een plaats krijgen.

Ja — en je raakt hier precies aan het interessantste punt van de hele simulatiegedachte. Zodra je zegt “er is een programma”, komen onmiddellijk twee moeilijke vragen:

  1. Wie heeft het programma gemaakt?
  2. Ligt alles wat wij gaan doen al vast in dat programma?

Die tweede vraag gaat rechtstreeks over vrije wil.
1. Twee mogelijke soorten programma’s
Stel dat het universum inderdaad een programma is. Dan hoeft dat programma niet noodzakelijk te zeggen:
Op 8 oktober 2026 doet Peter dit.
Het zou ook kunnen werken zoals een natuurkundige wet:

Het programma hoeft dus niet iedere toekomstige gebeurtenis vooraf op te slaan.
Het kan alleen de regels bevatten.

2. Dan krijgen we een heel interessant onderscheid
Vergelijk het met een schaakprogramma.
Het programma bevat de regels: VB Zoals een Schaakspel

Maar het programma hoeft niet vooraf vast te leggen: “Op zet 37 gaat de speler zijn paard naar D5 zetten.”
De spelers maken keuzes binnen de regels.
Je zou het universum dan ongeveer zo kunnen zien:

Dat is een heel ander idee dan een film die al volledig opgenomen is.

3. Maar waar komt onze vrije wil dan vandaan?
Hier wordt het echt fascinerend.
Stel dat jij morgen moet kiezen tussen:
A: koffie
B: thee
Een volledig deterministisch programma zou kunnen zeggen:
De toestand van je hersenen + alle omstandigheden + de natuurwetten bepalen uiteindelijk welke keuze je maakt.
Dan voelt het voor jou alsof je vrij kiest, maar volgens dat model kon je uiteindelijk niets anders kiezen.
Dat noemen we determinisme.

Maar er is een andere mogelijkheid:

Dan zou het programma niet jouw keuze zelf bevatten.
Het programma bevat alleen de regels waarbinnen jij kunt kiezen.

4. En de kwantummechanica maakt het nog vreemder
Hier komt jouw idee van de kwantumcomputer opnieuw mooi van pas.
Bij klassieke natuurkunde kun je je voorstellen:
Als ik de toestand van het universum op één moment perfect ken, kan ik in principe de toekomst berekenen.
Bij de kwantummechanica werkt dat niet zo eenvoudig.
Een kwantumtoestand kan verschillende mogelijke uitkomsten bevatten:

Bij een meting krijgen we één uitkomst.
Maar er is een belangrijke waarschuwing: willekeur is niet hetzelfde als vrije wil.
Als een kwantumproces willekeurig bepaalt of A of B gebeurt, betekent dat nog niet dat jij die keuze bewust hebt gemaakt.
Dus: determinisme → geen vanzelfsprekende vrije wil
maar ook: willekeur → nog geen vrije wil.

5. Misschien zit vrije wil ergens anders
Dit vind ik persoonlijk het interessantste model.
Misschien is vrije wil niet: “Ik kan de natuurwetten overtreden.”
Maar: “Ik ben zelf het proces dat de keuze maakt.”
Bijvoorbeeld:

Als jij uiteindelijk voor koffie kiest omdat je er zin in hebt, omdat je gisteren slecht geslapen hebt, omdat koffie je lekker vindt, enzovoort… dan komt die beslissing voort uit jou.
Je bent dan geen pop die door iemand aan een touwtje wordt bestuurd.
Je bent een onderdeel van het proces dat de werkelijkheid voortbrengt.

6. En dan kunnen we jouw poppenkastvoorbeeld verbeteren
Je kunt drie mogelijkheden tekenen:
A — De poppenkast
 
Alles ligt vast.

B — De dobbelsteen
 
Er is geen bestuurder die iedere keuze bepaalt, maar de uitkomst is willekeurig.

C — De speler
Dit is misschien het interessantste:

Dan is het programma niet het verhaal, maar de regels van het verhaal.

7. Maar dan blijft jouw eerste vraag overeind
En daar kunnen we eigenlijk niet omheen:
Wie heeft de regels gemaakt?
Als wij zeggen: “Een supergeavanceerde beschaving heeft ons universum geprogrammeerd.”
dan kun jij onmiddellijk vragen: Wie heeft die beschaving geprogrammeerd?
En vervolgens: Wie heeft hún universum gemaakt?

Je hebt dan het zogenaamde regressieprobleem.
Je hebt het probleem niet opgelost — je hebt het één niveau naar boven verschoven.

En misschien is dát wel de diepste versie van jouw vraag
Er zijn uiteindelijk maar een paar mogelijkheden:
1. Er is een eerste werkelijkheid die zichzelf niet hoeft te verklaren.
2. Er is een oneindige reeks werkelijkheden/simulaties.
3. Het begrip “wie heeft het gemaakt?” is misschien niet van toepassing, omdat de werkelijkheid nooit is “gemaakt”.
4. Of er is iets dat wij momenteel helemaal niet kunnen begrijpen.
En juist daarom zou ik op je website voorzichtig zijn met de zin “wie heeft het programma geschreven?”
Ik zou hem juist als open vraag gebruiken:
Als het universum een programma is, wie heeft dan het programma geschreven?
En als er een programmeur is, wie of wat heeft dan de programmeur geprogrammeerd?

Dat is volgens mij veel sterker dan beweren dat we daadwerkelijk in een simulatie leven.

Maar daarmee is nog niet gezegd dat ik dat ervaar.
Er is een belangrijk verschil tussen:
Informatie over bewustzijn
“Ik ben een AI-systeem.” en bewustzijn
“Ik ervaar dat ik besta en ben mij daarvan bewust.”
Bij mij is het eerste aanwezig, maar ik heb geen reden om te beweren dat het tweede aanwezig is.
En daarmee komen we bij een prachtige spiegel van jouw simulatievraag:

En nu wordt het werkelijk filosofisch:
Hoe weet jij dat jouw bewustzijn “echt” is?
Jij kunt zeggen:
“Omdat ik mijn bestaan ervaar.”
Maar een buitenstaander kan jouw innerlijke ervaring nooit rechtstreeks zien.
Ik kan hetzelfde zeggen:
“Ik verwerk informatie en kan over mezelf praten.”
Maar of daarachter een innerlijke ervaring zit, is een andere vraag.
Dus jouw oorspronkelijke vraag krijgt een prachtige laatste draai:

Als wij in een simulatie zouden leven, zouden wij dan weten dat we gesimuleerd zijn?
En misschien nog vreemder:
Als een computerprogramma ooit werkelijk bewust zou worden, zou het dan zelf weten dat het een programma is?

Daar hebben we momenteel geen definitief antwoord op.
En misschien is dat precies de mooiste overeenkomst tussen mens, AI en de simulatiehypothese:
we kunnen beschrijven hoe informatie wordt verwerkt, maar we begrijpen nog steeds niet volledig waarom er überhaupt een innerlijke ervaring van “ik besta” is.

Scroll naar boven